Niet schismatiek, niet ongehoorzaam
Sinds de bisschopswijdingen in de Priesterbroederschap Pius X klinkt vanuit Rome (kardinaal Fernandez) de beschuldiging dat zij schismatiek zouden zijn. Ik wijs erop dat o.a. paus Benedictus na 1988 weigerde te spreken van schisma en alleen sprak van een kerkelijke onregelmatige situatie. Waarom zou de situatie nu anders zijn? Kerkrechtelijk valt er nogal wat af te dingen op de decreten van kardinaal Fernandez. Met name het uitbreiden van de sanctie tot de priesters en zelfs op den duur tot de leken is vanuit canoniek recht niet te verdedigen. Daar komt nog bij dat de broederschap zich beroept op een noodtoestand in de Kerk. Ze hebben daar wel degelijk een punt als je ziet hoeveel heterodoxe meningen en praktijken in de Kerk, zelfs in Rome, virulent zijn en hoe groot de vijandigheid is jegens de traditie en de orthodoxie. Bisschoppen die zelfs communiebanken verbieden of knielend communiceren. Die de viering van de traditionele Mis praktisch of helemaal onmogelijk maken. Het traditionele katholieke geloof beleven, is zodoende moeilijk als je afhankelijk bent van de grillen van individuele bisschoppen en het klaarblijkelijk onvermogen (of onwil) van Rome om op te treden tegen ketterij en scheefgroei en orthodox katholieke initiatieven te bevorderen. Vanuit de broederschap worden verdedigingen geschreven van hun standpunten. Hieronder laat ik er een volgen. Het verdient niet hoofdschuddend te zijde geschoven te worden, wat de reflex van de zgn “gehoorzame” katholieken is. Het verdient bestudering en overweging. (CM)
7 juli 2026
Gezien de overvloed aan verklaringen, artikelen en interviews waarin de Broederschap Sint-Pius X wordt afgeschilderd als verantwoordelijk voor een breuk binnen de Kerk, voor zeer ernstige ongehoorzaamheid jegens de Heilige Vader, of zelfs voor een heus schisma, achten wij het gepast enkele regels te schrijven om opheldering te verschaffen.
Onze aanpak zal altijd dezelfde zijn: niet uitgaan van indrukken, geruchten of de hersenspinsels van gelegenheidscommentatoren, maar van de katholieke theologie, geput uit haar bronnen: het constante leergezag van de Kerk en de leer van de grote theologen en canonisten.
1. De Broederschap Sint-Pius X is niet schismatiek
Kardinaal Tommaso de Vio (ook bekend als Cajetanus, 1469-1534), een van de grootste theologen aller tijden, stelt expliciet: „Ongehoorzaamheid, zelfs met koppigheid, jegens de Paus vormt geen schisma. Wat wel een schisma vormt, is het zich niet willen onderwerpen aan hem als hoofd van de gehele Kerk.”1
Wat is het verschil tussen eenvoudige ongehoorzaamheid, die geen schisma tot gevolg heeft, en ongehoorzaamheid gepaard gaande met opstand, die een weigering tot onderwerping inhoudt en een schisma vormt?
Kardinaal Cajetanus legt dit duidelijk uit. Ik kan om drie redenen ongehoorzaam zijn aan een bevel van de paus:
- omdat wat hij mij opdraagt mij niet bevalt of mij onrechtvaardig lijkt;
- omdat ik van mening ben dat hij mij onrecht aandoet;
- omdat ik hem niet als mijn meerdere erken.
In de eerste twee gevallen is er geen sprake van schisma; in het derde geval is er wel sprake van schisma.2
Het verschil is duidelijk. Als ik de paus niet als mijn meerdere erken, zal ik onder geen enkele omstandigheid bereid zijn hem te gehoorzamen, ongeacht het bevel dat hij mij geeft. Als ik hem daarentegen wel als mijn meerdere erken, kan ik hem weliswaar op een bepaald punt ongehoorzaam zijn, maar blijf ik bereid hem te gehoorzamen; ik ben dan dus niet schismatiek.
Anders zou iedereen die een pauselijk voorschrift niet naleeft, bijvoorbeeld door te weigeren op de voorgeschreven dagen te vasten of de zondagsmis bij te wonen, schismatiek zijn. Dat is absurd.
„Het komt immers vaak voor dat iemand weigert de bevelen van zijn meerdere uit te voeren, terwijl hij hem toch als meerdere blijft erkennen”3
Deze leer van kardinaal Cajetanus wordt zonder uitzondering overgenomen door alle latere canonisten en theologen.
Als we echter kijken naar de consequente houding van de Broederschap en de verklaringen van haar oversten, blijkt duidelijk dat zij niet ongehoorzaam is aan de paus omdat zij weigert hem als haar meerdere te erkennen of zich aan hem te onderwerpen, maar omdat zij van mening is dat zij bepaalde bevelen die hij geeft niet kan aanvaarden. Wij bevinden ons dus in het eerste geval dat door kardinaal Cajetanus wordt beschreven.
Inderdaad noemt de Broederschap de paus in het Canon van de Mis (waarmee zij laat zien dat zij hem als haar meerdere erkent) en gehoorzaamt zij de Heilige Stoel in alle aangelegenheden waarin geen zekerheid of waarschijnlijkheid van modernisme bestaat (bijvoorbeeld bij terugbrengen tot de lekenstand, verzoeken om dispensaties of gunsten die aan de Heilige Vader zijn voorbehouden, de afkondiging van jubilea, enz.). Zij is eveneens bereid de paus in alles te gehoorzamen, mits zijn bevelen geen aanvaarding inhouden van de modernistische doctrines van Vaticanum II en de postconciliaire periode.
De Broederschap is dus geenszins schismatiek.
Maar is zij dan tenminste ongehoorzaam? Want men kan niet schismatiek zijn en toch ernstig ongehoorzaam. We zullen deze vraag in het derde punt beantwoorden.
2. Bisschopswijdingen die zonder apostolisch mandaat worden toegediend, vormen geen schismatieke daad en maken de Broederschap niet schismatiek
Allereerst moet worden opgemerkt dat de bisschopswijding tot het einde van de Middeleeuwen niet voorbehouden was aan de paus. Dit betekent dat de paus normaal gesproken geen bisschoppen benoemde en zelfs hun benoeming niet bevestigde wanneer deze door anderen was gedaan. Het pauselijk voorbehoud met betrekking tot de benoeming of bevestiging van bisschoppen dateert pas van het einde van de 13e eeuw en werd pas in de daaropvolgende eeuw daadwerkelijk doorgezet.
Men zou kunnen tegenwerpen dat in de oudheid bisschopswijdingen weliswaar plaatsvonden zonder tussenkomst van de paus, maar nooit tegen zijn wil. Dat is niet altijd juist.
In de tijd van de heilige Augustinus waren er bisschoppen die als coadjutor werden gewijd in een bisdom dat al een titulaire bisschop had, of bisschoppen die van de ene zetel naar de andere werden overgeplaatst, in strijd met de voorschriften van de oecumenische concilies en dus tegen de wil van de paus, die deze concilies had goedgekeurd. Velen wezen op de onregelmatigheid van deze handelingen, maar niemand sprak van een schisma.
In een recentere periode, in de 12e en 13e eeuw, waren er eveneens bisschoppen, voornamelijk afkomstig uit de bedelorden, die zonder inachtneming van de reguliere canonieke procedure werden gewijd, waarmee zij in strijd handelden met de wil van de paus. Ook hier greep de Heilige Stoel in om de orde te herstellen, maar niemand werd als schismatiek beschouwd. Ik zal in een apart artikel nader op deze kwestie ingaan.
Hieruit volgt dat het voorbehoud van de bisschopswijding aan de paus niet van goddelijk recht is, maar van kerkelijk recht.
Wat wel van goddelijk recht is, is dat de bisschop in gemeenschap met de paus blijft. Welnu, we hebben in het eerste punt gezien dat de bisschoppen van de Broederschap, aangezien zij geen schismatici zijn, volledig in gemeenschap met de paus zijn.
Geen enkele theoloog of canonist, althans tot aan het Tweede Vaticaans Concilie, noemt de bisschopswijding zonder apostolisch mandaat onder de voorbeelden van schismatieke handelingen.
In het traditionele canoniek recht, tot 1951, werd een bisschopswijding zonder mandaat eenvoudigweg bestraft met een suspensie; het werd dus niet beschouwd als een schisma, dat bestraft werd met excommunicatie.
Zelfs na 1951, toen de straf werd verzwaard en van schorsing naar excommunicatie ging, heeft geen enkele theoloog of canonist beweerd dat elke bisschopswijding zonder mandaat op zichzelf een schisma vormde.
Het idee dat een bisschopswijding zonder apostolisch mandaat per definitie een schismatieke daad zou zijn, is pas naar voren gekomen naar aanleiding van de wijdingen van Mgr. Lefebvre in 1988. Het kent geen precedent in de theologische of canonieke traditie.
Ten slotte zou men een wijding zonder mandaat misschien als schismatiek kunnen beschouwen, of althans als neigend tot schisma, indien deze zou beweren de nieuwe bisschop bisschoppelijke jurisdictiebevoegdheid te verlenen, dat wil zeggen het recht om een bisdom te besturen en gezag uit te oefenen over de priesters en de gelovigen.
Volgens de leer die duidelijk door Pius VI en Pius XII is onderwezen, ontvangt de bisschop zijn jurisdictiebevoegdheid echter niet door de wijding, maar door de canonieke zending die hij van de paus ontvangt (Vaticanum II leert het tegenovergestelde…). Beweren dat men jurisdictiebevoegdheid verleent tegen de wil van de paus in, zou dus een usurpatie van zijn gezag en een neiging tot schisma inhouden.
Maar de Broederschap Sint-Pius X heeft nooit beweerd haar bisschoppen jurisdictiebevoegdheid te verlenen.
De bisschoppen van de Broederschap bezitten, als bisschoppen, geen enkele bestuursbevoegdheid over de gelovigen of over de priesters. Zij bezitten uitsluitend de wijdingsbevoegdheid, dat wil zeggen de bevoegdheid om de sacramenten (vormsel, priesterwijding) toe te dienen, evenals de sacramentalia die voorbehouden zijn aan bisschoppen.
Deze bevoegdheid ontlenen zij echter niet aan de paus, maar rechtstreeks aan God door de bisschopswijding.
Er is dus geen sprake van usurpatie van een bevoegdheid die eigen is aan de paus van Rome, noch van een neiging tot schisma.
3. De Broederschap Sint-Pius X is evenmin ongehoorzaam
In de katholieke leer is gehoorzaamheid geen absoluut beginsel. Zelfs niet de gehoorzaamheid aan de Paus.
Zoals de heilige Thomas leert: „Misbruik van gezag kan plaatsvinden […] wanneer wat door de meerdere wordt bevolen in strijd is met het doel waarvoor het gezag is ingesteld, bijvoorbeeld wanneer hij een slechte daad beveelt die in strijd is met de deugd die dit gezag juist moet bevorderen en beschermen. In dat geval is men niet alleen niet verplicht de meerdere te gehoorzamen, maar is men zelfs verplicht hem niet te gehoorzamen, zoals de heilige martelaren de dood trotseerden in plaats van de goddeloze bevelen van tirannen op te volgen.”4
Dezelfde leer vinden we terug bij Leo XIII in de encycliek Diuturnum illud (29 juni 1881).
Sterker nog, als het onrechtvaardige bevel van de meerdere een gevaar voor het geloof vormt, moet de ongehoorzaamheid zelf openbaar zijn.
Ook de heilige Thomas bevestigt dit: „Wanneer er een dreigend gevaar voor het geloof bestaat, moeten zelfs prelaten openlijk door hun ondergeschikten worden terechtgewezen. Daarom heeft de heilige Paulus, die ondergeschikt was aan de heilige Petrus, hem openlijk terechtgewezen vanwege het dreigende gevaar van schandaal met betrekking tot het geloof. En, zoals de Glosa zegt onder verwijzing naar de heilige Augustinus, met betrekking tot hoofdstuk II van de Brief aan de Galaten: „Petrus zelf gaf zo de oversten een voorbeeld: mochten zij ooit van het rechte pad afdwalen, dan zouden zij niet mogen weigeren om zelfs door hun ondergeschikten te worden gecorrigeerd.”5
De grote dominicaanse theoloog Juan de Torquemada (1388-1468) vat al het voorgaande als volgt samen: „Als de paus iets beveelt dat op zichzelf slecht is, dat wil zeggen in strijd met de goddelijke wet, het geloof of het heil van de zielen, dan is het in een dergelijk geval niet onrechtmatig om zich door ongehoorzaamheid van de paus af te scheiden, en mag dit bijgevolg geen schisma worden genoemd.”6
Duidelijker kan het niet. En, laten we het nogmaals benadrukken, het gaat hier niet om de geïsoleerde mening van één theoloog, maar om de unanieme leer van de gehele theologische traditie.
4. De Broederschap heeft juist gehandeld vanwege de noodtoestand waarin het geloof zich bevindt
Kan men echter zeggen dat het bevel waaraan de Broederschap weigerde gehoor te geven „op zichzelf slecht“ of zelfs „zondig“ was? Het afzien van bisschopswijdingen is immers op zichzelf geen slechte daad. Men zou dus kunnen concluderen dat, hoewel de Broederschap niet in schisma is vervallen, zij niettemin een zeer ernstige daad van ongehoorzaamheid heeft begaan.
Wij antwoorden dat de daad van het afzien van bisschopswijdingen, abstract beschouwd, inderdaad niet slecht is. Maar als men deze daad beschouwt in de huidige, concrete omstandigheden van de Kerk, dan wordt hij slecht en zelfs zondig.
In de huidige situatie van de Kerk zou de Broederschap Sint-Pius X, als zij de wijdingen van 1 juli niet had doorgevoerd, voor een onvermijdelijk alternatief hebben gestaan: ofwel geleidelijk verdwijnen, ofwel, althans in feite, de nieuwe liturgie en de valse leerstellingen van Vaticanum II en de postconciliaire periode aanvaarden.
Zonder de wijdingen van 1 juli zou de Broederschap binnen enkele jaren zonder bisschoppen zijn komen te zitten, vanwege het natuurlijke overlijden van degenen die dit ambt vandaag de dag bekleden.
Zonder bisschoppen zouden er geen priesterwijdingen meer zijn; zonder wijdingen geen priesters meer; en op termijn geen traditionele mis meer, geen traditionele sacramenten meer, geen integraal onderricht van de katholieke leer meer.
Het enige alternatief zou zijn geweest om bisschoppen aan te vragen bij Rome, de priesters te laten wijden door diocesane bisschoppen of de gelovigen door te verwijzen naar de parochiepriesters. Elk van deze oplossingen zou echter hebben betekend dat de valse leerstellingen van het Concilie en de postconciliaire periode, althans in de praktijk, moesten worden aanvaard.
We zien het vandaag al: legt het Dicasterie voor de Geloofsleer, in de bijlage bij het op 2 juli gepubliceerde excommunicatiedecreet, aan iedereen die „in gemeenschap met Rome” wil terugkeren de verplichting op om een verklaring te ondertekenen waarin zij bevestigen dat zij Vaticanum II aanvaarden volgens de interpretatie van het huidige leergezag en dat zij zich ertoe verbinden de leerstellingen van de paus nooit te bekritiseren.
Zonder de bisschopswijdingen zou de Broederschap bijgevolg gedwongen zijn geweest om leerstellingen te aanvaarden zoals godsdienstvrijheid, oecumene, collegialiteit, de onwettigheid van de doodstraf, de mogelijkheid voor hertrouwde gescheidenen om de communie te ontvangen of zelfs de zegening van homoseksuele paren; of, op zijn minst, te aanvaarden deze niet langer in het openbaar te bekritiseren.
Zo wordt duidelijk dat het bevel van de paus, beschouwd in de concrete omstandigheden waarin het werd gegeven, een handeling oplegt die objectief gezien slecht en zondig is, aangezien het nooit is toegestaan om datgene wat in strijd is met het geloof te aanvaarden of af te zien van het aan de kaak stellen ervan.
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de leerstellige standpunten van de Broederschap geen louter meningen zijn; het zijn geen persoonlijke voorkeuren, geen bijzondere gevoeligheden en geen smaakvoorkeuren, maar zij vormen de katholieke leer, die definitief wordt onderwezen door het constante leergezag van de Kerk. Het volstaat de handelingen van alle pausen en de geschriften van alle theologen van vóór het Concilie te lezen om hiervan overtuigd te raken.
Het is dus niet mogelijk hiervan af te zien, aangezien ze tot het geloofsgoed zelf behoren. Wanneer de paus het tegenovergestelde vraagt, is het duidelijk dat zijn bevel, volgens de uitdrukking van Torquemada, in strijd is „met de goddelijke wet, het geloof of het heil van de zielen”. Bijgevolg kunnen we hem niet alleen ongehoorzaam zijn, maar moeten we dat zelfs doen.
Laten we ten slotte nog een laatste bezwaar weerleggen: „U bent niet bevoegd om te beweren dat bepaalde leerstellingen van het Concilie en de postconciliaire periode in strijd zijn met de traditionele leer. Dat oordeel komt uitsluitend toe aan het hoogste gezag, dat wil zeggen aan de paus.”
Maar als dat zo was, wat voor betekenis zouden dan de woorden van Torquemada en alle andere theologen hebben die beweren dat elke christen het recht heeft de paus ongehoorzaam te zijn wanneer deze objectief gezien iets kwaads beveelt?
Toen Alexander VI zijn minnares Giulia Farnese onder dreiging van excommunicatie verbood het samenleven met hem te beëindigen om terug te keren naar haar wettige echtgenoot, had zij hem dan moeten gehoorzamen onder het voorwendsel dat het niet aan haar was om te oordelen of pauselijke handelingen in overeenstemming waren met de goddelijke wet?
Evenzo, wanneer katholieken zich vandaag de dag verzetten tegen de communie voor hertrouwde gescheidenen of tegen de goedkeuring van homoseksuele handelingen, maken zij dan misbruik van een bevoegdheid die uitsluitend aan de paus toekomt?
Conclusie
De Broederschap is noch schismatiek, noch ongehoorzaam. De tegen haar uitgesproken excommunicaties zijn zonder gevolg, want waar geen overtreding is, kan er geen straf zijn. De wond bestaat wel degelijk, maar wij zijn niet degenen die haar hebben veroorzaakt.
Wij hebben er vertrouwen in, sterker nog, wij zijn er zeker van, op grond van de beloften die Onze Heer Jezus Christus aan zijn Kerk heeft gedaan, dat de kerkelijke autoriteiten op een dag zullen terugkeren naar de authentieke katholieke leer en onze volledige onschuld zullen erkennen.
Don Daniele Di Sorco
Write a Reply or Comment