Over de interne logica van het pontificaat van paus Franciscus en de ecclesiologisch explosieve kracht ervan
Het is mijn overtuiging dat het pontificaat van Franciscus desastreus is geweest voor de Kerk van vandaag en van de nabije toekomst. Het noodzakelijke herstel tekent zich onder Leo nog niet echt af. Hieronder volgt een analyse die verscheen op katholische.info. De auteur schrijft onder het pseudoniem “Contra Ambivalent”. Dat dit nodig is tekent de situatie in de Kerk. Ik ben het hardgrondig met de analyse eens. (CM)
Van Contra Ambivalent*
Het pontificaat van paus Franciscus kan niet goed worden begrepen als het uitsluitend wordt geïnterpreteerd als een reeks ongelukkige uitspraken, misleidende documenten of verkeerde beslissingen op het gebied van personeelsbeleid. Een dergelijke fragmentarische interpretatie blijft analytisch te weinig bepaald, omdat ze terugkerende patronen en structurele verbanden buiten beschouwing laat die het totaalbeeld van dit pontificaat kenmerken.
De volgende analyse gaat daarom bewust niet uit van vermoedelijke intenties of persoonlijke motieven, maar van waarneembare causale verbanden tussen kerkelijke praktijk en leerstellige communicatie. In deze functionele zin kan men spreken van een innerlijke logica die talrijke verschijnselen met elkaar verbindt: een voortschrijdende ontkoppeling van normatieve leer, bindende autoriteit en kerkelijke praktijk. We moeten daarbij nuchter vaststellen dat paus Franciscus noch formeel een dogma heeft herroepen, noch expliciet een gedefinieerde geloofswaarheid heeft ontkend. Juist deze omstandigheid is echter van cruciaal belang voor de theologische beoordeling. Het ecclesiologische gevaar ontstaat niet in de eerste plaats door openlijke ketterij, maar door structurele verschuivingen die de bindende kracht van kerkelijke normen geleidelijk doen afbrokkelen. Deze dynamiek voltrekt zich niet op eenmalige wijze, maar op verschillende niveaus die onderling met elkaar verweven zijn en hieronder systematisch worden weergegeven.
1. Eerste niveau: uitholling van de leer door tegengestelde praktijk
Centrale leerstellige normen blijven formeel bestaan, maar worden in feite gerelativeerd of ondermijnd door een pastoraal gelegitimeerde praktijk. De leer wordt niet ontkend, maar beroofd van haar normatieve sturende functie.
Dit patroon komt paradigmatisch tot uiting in Amoris laetitia. De objectieve morele leer over de onontbindbaarheid van het huwelijk wordt niet opgeheven, maar tegelijkertijd de facto opgeschort door een praktijk van individuele gewetensbeslissingen. Wat als uitzondering voor complexe individuele gevallen wordt ingevoerd, wordt al snel de nieuwe norm. De ervaring van de kerk leert dat pastoraal gemotiveerde uitzonderingen regelmatig fungeren als voorlopers van algemene regelingen.
Een vergelijkbaar patroon is te zien in de oecumenische praktijk, met name in kwesties van intercommunie. Ondanks duidelijke kerkelijke en leerstellige voorschriften worden beslissingen op dit gebied pastoraal geïndividualiseerd en overgelaten aan het persoonlijke gewetensonderzoek. De dogmatische leer blijft formeel onaangetast, maar verliest haar praktische slagkracht.
Een ander hoogtepunt is het document Fiducia supplicans. Weliswaar wordt formeel benadrukt dat de leer over het huwelijk en de seksuele moraal ongewijzigd blijft, maar tegelijkertijd wordt een praktijk mogelijk gemaakt die objectief onregelmatige levensvormen door de kerk positief kenmerkt. De scheiding tussen “zegen” en “bevestiging van de leer” lijkt theologisch kunstmatig: in de kerkelijke werkelijkheid heeft de zegen altijd een normatief effect. De leer wordt niet herroepen, maar feitelijk ontkracht.
Orthodoxie en orthopraxis komen zo in een permanente, systematische spanning terecht. Deze spanning is niet productief, maar destructief. De leer blijft aanwezig, maar geeft geen vorm meer aan het kerkelijk leven. Ze wordt beheerd, niet geloofd; geciteerd, maar niet meer verplicht nageleefd.
Een vergelijking met de seculiere rechtsstaat maakt de reikwijdte van dit mechanisme duidelijk: een staat die formeel vasthoudt aan zijn wetten, maar waarvan de uitvoerende en rechterlijke macht voortdurend aangeven dat de handhaving ervan niet gewenst of niet prioritair is, verliest feitelijk zijn rechtsautoriteit. De norm blijft bestaan, maar haar ordenende kracht erodeert. Dezelfde logica geldt ook in de kerkelijke ruimte.
2. Tweede niveau: uitholling van de bindende kracht door relativering van het gezag
Nog ernstiger is het tweede niveau: naast de feitelijke afzwakking van de leer door tegengestelde praktijken, wordt tegelijkertijd de instantie gerelativeerd die deze leer bindend garandeert.
Het pontificaat van paus Franciscus heeft herhaaldelijk de indruk gewekt dat zelfs definitieve leerstellige uitspraken niet langer het karakter van definitieve verplichting hebben, maar in principe opnieuw “ter discussie” kunnen worden gesteld. Dit betreft geen marginale kwesties, maar de kern van de katholieke ecclesiologie: de vraag naar de definitieve verplichting van leerstellige beslissingen in geloofs- en zedenkwesties.
In dit verband is de feitelijke herwaardering van Hans Küng van bijzonder belang. Küng werd niet gestraft vanwege marginale theologische afwijkingen, maar vanwege zijn fundamentele ontkenning van de pauselijke onfeilbaarheid en zijn betwisting van centrale christologische dogma’s, waaronder de godheid van Christus. Wanneer een paus zo’n theoloog demonstratief eert en tegelijkertijd zelf suggereert dat de kwestie van de onfeilbaarheid nog niet definitief is afgesloten, ontstaat er een fataal signaal: niet langer de gedefinieerde leer bepaalt de bindende kracht, maar het open discours.
Dit geldt ook voor Ordinatio sacerdotalis. Hier gaat het niet om pastorale praktijk, maar om de leerstellig verklaarde definitieve aard van een beslissing. Als deze definitieve aard feitelijk wordt ondermijnd door herhaaldelijk commissies in te stellen en retorisch open te blijven, wordt niet de praktijk, maar de autoriteit van het leergezag zelf gedevalueerd.
Hetzelfde geldt voor de Abu Dhabi-verklaring. Deze verklaring vertegenwoordigt geen tegengestelde pastorale praktijk, maar een theologisch zeer ambivalente uitspraak op het niveau van de leer zelf. De formulering dat de verscheidenheid aan religies door God gewild is, kan pluralistisch worden geïnterpreteerd en relativeert op zijn minst impliciet de universele aanspraak op waarheid van het christendom. Ook hier blijft de formele leer bestaan, maar wordt de eenduidigheid ervan ondermijnd.
De leer verliest daarmee haar laatste instantie van verplichting. Wat formeel nog geldt, geldt alleen nog onder voorbehoud. De waarheid wordt niet meer vastgesteld, maar disputatief gecontextualiseerd.
3. Tussenstap: asymmetrische kritiek en pastorale scheefgroei
Een ander, tot nu toe te weinig besproken structureel kenmerk van dit pontificaat is de opvallende asymmetrie van zijn kritiek. Jarenlang richtte paus Franciscus zich bijna uitsluitend op conservatieve, traditiegerichte en leergetrouwe katholieken. Aan hen werden algemeen categorieën als rigorisme, farizeïsme, hypocrisie of geestelijke verharding toegeschreven – vaak zonder differentiërende analyse, vaak met morele strengheid.
Daarentegen bleef een ander fenomeen opvallend onopgemerkt: het liturgische en theologische laxisme dat in grote delen van de westerse kerk al lang dominant is. In een steeds meer geseculariseerde samenleving, die het relativisme zelf tot maatstaf heeft verheven, werden in talrijke parochies fundamentele liturgische normen, dogmatische duidelijkheden en moraaltheologische grenzen feitelijk overschreden of openlijk genegeerd. Creatieve eigen liturgieën, impliciete ontkenning van centrale geloofswaarheden, een functionalistische sacramentenpraktijk en de uitholling van het begrip zonde kenmerken op veel plaatsen het kerkelijk leven sterker dan enig vermeend “rigorisme”.
Opvallend is dat er gedurende het hele pontificaat van paus Franciscus nauwelijks een duidelijk, corrigerend woord te vinden is over deze ontwikkelingen. Terwijl traditioneel georiënteerde katholieken regelmatig publiekelijk aan de kaak werden gesteld, bleven theologische grensoverschrijdingen in het progressieve spectrum grotendeels onbestraft – zelfs wanneer ze openlijk in strijd waren met de liturgische orde, het kerkelijk leergezag of de sacramentele discipline.
Deze eenzijdigheid is niet louter een communicatiefout, maar heeft ook ecclesiologische gevolgen. Ze wekt de indruk dat niet langer objectieve normen of de inhoud van het geloof doorslaggevend zijn, maar de respectieve kerkelijke politieke positionering. Orthodoxie wordt problematisch gevonden, heterodoxie wordt getolereerd – voor zover ze zich pastoraal of maatschappelijk aansluitbaar presenteert.
Juist deze scheve verhouding versterkt de eerder beschreven dubbele leegloop: de leer verliest niet alleen aan bindende kracht door tegengestelde praktijken, maar ook doordat haar verdedigers systematisch worden gedelegitimeerd, terwijl degenen die haar relativeren feitelijk beschermd blijven.
4. De dubbele leegloop en haar apostatisch potentieel
In het totaalbeeld ontstaat een zeer problematische constellatie: De leer wordt door tegengestelde praktijken gedevalueerd, terwijl tegelijkertijd de autoriteit die haar garandeert, wordt gerelativeerd.
Dogma’s blijven bestaan, maar zijn niet langer bindend. Ze worden niet herroepen, maar functioneel geneutraliseerd. Precies hierin ligt het impliciet apostatische potentieel van deze dynamiek. Ze is gevaarlijker dan openlijke ketterij, omdat ze zich onttrekt aan elke duidelijke theologische of kerkrechtelijke sanctie.
De kerk beschikt over instrumenten tegen formele ketterij, maar nauwelijks tegen een pontificaat dat systematisch ambivalentie creëert, verplichtingen opschort en verantwoordelijkheid delegeert naar lagere niveaus. De herhaalde Dubia – zowel aan het begin als aan het einde van het pontificaat – zijn een uiting van deze institutionele hulpeloosheid.
5. Personeelsbeleid als uitdrukking van de structurele strategie
De hierboven beschreven dynamiek beperkt zich niet tot documenten, interviews of pastorale initiatieven. Ze komt bijzonder duidelijk tot uiting in het personeelsbeleid van het pontificaat van paus Franciscus. Juist hier wordt zichtbaar dat het niet gaat om een reeks ongelukkige individuele beslissingen, maar om een consistente lijn die structurele effecten heeft.
Personeelsbeslissingen hebben in de kerkelijke context een dubbele betekenis: enerzijds zijn het administratieve handelingen, anderzijds zijn het zeer symbolische signalen. Ze worden niet alleen gebruikt om leiding te geven, maar ook om te definiëren welke theologische standpunten als bevorderlijk, marginaal of problematisch worden beschouwd. In die zin fungeert het personeelsbeleid als een bijzonder effectief instrument voor indirecte sturing van de kerkelijke ontwikkeling.
Opvallend is in de eerste plaats de systematische marginalisering van vooraanstaande vertegenwoordigers van een leerstellig duidelijke theologie. De feitelijke ontheffing van kardinaal Robert Sarah als prefect van de Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten en de niet-verlenging van het mandaat van kardinaal Gerhard Ludwig Müller als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer zijn hiervan paradigmatisch voorbeelden. Beiden stonden voor een theologisch nauwkeurige, normatief duidelijke en leerstellig trouwe interpretatie van de kerkelijke leer. Hun verwijdering uit centrale sleutelposities vond plaats zonder formele bezwaren tegen hun ambtsvoering, wat het signaal van deze beslissingen nog versterkte.
Tegelijkertijd is er een gerichte opwaardering waarneembaar van theologische standpunten die worden gekenmerkt door ambivalentie, grensoverschrijding of bewuste provocatie ten opzichte van bestaande leerstructuren. Deze opwaardering vindt niet in eerste aanleg plaats door leerstellige correcties, maar door institutionele integratie en symbolische erkenning. De benoeming van Víctor Manuel Fernández tot prefect van het Dicasterie voor de Geloofsleer markeert in dit opzicht een keerpunt. Met hem wordt een theologie op een centrale plaats institutioneel verankerd die expliciet onderscheid maakt tussen formele leer en pastorale toepassing en deze scheiding systematisch uitbreidt.
Het onder zijn verantwoordelijkheid gepubliceerde document Fiducia supplicans kan daarom niet geïsoleerd worden beschouwd. Het is minder een oorzaak dan een uitdrukking van een reeds gevestigde logica: de leer blijft formeel onaangetast, maar de toepassing ervan wordt opnieuw gecodeerd. De normatieve functie van de leer wordt niet opgeheven, maar functioneel gerelativeerd door pastorale differentiatie. Personeelsbeslissingen en documenten vormen zo een structurele eenheid.
Opvallend is ook dat dit personeelsbeleid grotendeels asymmetrisch werkt.
Terwijl standpunten die trouw zijn aan de leer vaak worden bestempeld als “rigide”, ‘ideologisch’ of “onpastoraal”, ondergaan progressieve grensoverschrijdingen zelden een vergelijkbare institutionele correctie. Deze asymmetrie versterkt de indruk dat niet langer de inhoudelijke nabijheid tot de bindende leer doorslaggevend is, maar de aansluitbaarheid bij een bepaald pastoraal of maatschappelijk discours.
Vanuit ecclesiologisch perspectief heeft deze ontwikkeling verstrekkende gevolgen. De Congregatie voor de Geloofsleer – traditioneel hoedster van de doctrinaire duidelijkheid – wordt functioneel geherdefinieerd: van een instantie voor normatieve zekerheid naar een moderator van theologische pluraliteit. Hierdoor verschuift haar zelfbeeld fundamenteel. De waarheid wordt niet langer primair bewaard en beschermd, maar begeleid in dialoog.
Het personeelsbeleid versterkt zo de eerder beschreven dubbele ontmanteling. Het verzekert institutioneel wat leerstellig en pastoraal is voorbereid. De leer blijft bestaan, maar verliest haar effectief vermogen; het gezag blijft formeel behouden, maar wordt niet meer eenduidig uitgeoefend. De selectie van personen garandeert de voortzetting van deze logica, ook buiten afzonderlijke documenten om.
Al met al blijkt dat het personeelsbeleid van het pontificaat van paus Franciscus geen ondergeschikt administratief fenomeen is, maar een centraal onderdeel van zijn innerlijke logica. Het stabiliseert structureel de ambivalentie die zich op het niveau van leer, praktijk en autoriteit al aftekende. Daardoor wordt de ontkoppeling van waarheid en gebondenheid daaraan niet alleen getolereerd, maar ook institutioneel bestendigd.
6. Conclusie: ecclesiologische verduidelijking als achterstallige taak
Het pontificaat van paus Franciscus stelt de kerk voor een taak die niet kan worden uitgevoerd op basis van persoonlijke sympathieën of antipathieën. Het dwingt veeleer tot een achteraf ecclesiologische verduidelijking van fundamenteel belang. Het centrale probleem ligt daarbij niet in afzonderlijke uitspraken, documenten of beslissingen, maar in de structurele effecten van hun onderlinge wisselwerking.
Als leer, autoriteit en praktijk blijvend van elkaar worden losgekoppeld, verliest de kerk haar innerlijke samenhang. De waarheid blijft weliswaar taalkundig aanwezig, maar is niet langer een bindende maatstaf voor het handelen van de kerk. Autoriteit wordt uitgeoefend zonder duidelijke beslissingen te nemen. De praktijk wordt steeds meer bepaald door situationele overwegingen en niet door normatieve voorschriften. In een dergelijke constellatie wordt de leerstellige structuur van de kerk niet openlijk ontkend, maar functioneel geneutraliseerd.
De cruciale vraag is dan ook niet of paus Franciscus formeel ketters was of expliciet dogmatische grenzen heeft overschreden. De vraag is veeleer of zijn pontificaat structuren heeft gecreëerd die waarheid mogelijk maken zonder dat deze bindend is. Een kerk die de waarheid verkondigt zonder deze bindend te maken, ondermijnt haar eigen geloofwaardigheid en verliest haar vermogen tot normatieve zelfsturing.
Juist hierin ligt de eigenlijke ecclesiologische explosiviteit. De kerk beschikt over instrumenten om formele ketterij te corrigeren, maar niet over effectieve mechanismen tegen een systematisch gecreëerde ambivalentie die verantwoordelijkheid decentraliseert en besluitvorming vermijdt. Waar de waarheid voortdurend onder voorbehoud wordt gesteld, kan ook dwaling niet meer eenduidig worden benoemd. Hierdoor gaat een centraal element van kerkelijke zelfcorrectie verloren.
De onderhavige analyse pretendeert geen motiefanalyse te zijn en veronderstelt noch bewuste misleiding, noch formele ketterij. Zij beschrijft een structureel causaal verband dat onafhankelijk van subjectieve intenties effect sorteert. Juist deze onafhankelijkheid van intenties geeft de analyse haar gewicht: niet het willen, maar het effect staat centraal.
Of en op welke manier deze structurele verschuivingen kunnen worden gecorrigeerd, is een open vraag. Eén ding is echter zeker: een kerk die haar waarheid niet langer bindend verwoordt, geeft niet alleen orde, maar ook identiteit prijs. Het verwerken van dit pontificaat is daarom geen partijpolitieke optie, maar een theologische noodzaak.
Write a Reply or Comment