Kardinalen moeten zich buigen over de crisis in de liturgie en de oorsprong van de Novus Ordo
Op het komende consistorie van de paus met de kardinalen staat de crisis van de liturgie op het programma. Die crisis bestaat in het enerzijds doorvoeren van een volkomen nieuwe liturgie met een beroep op het Concilie en anderzijds een verbitterde strijd van de een groep ideologische voorstanders van die liturgie tegen de groeperingen van bisschoppen, priesters en leken die in verschillende mate willen vasthouden aan de overgeleverde liturgie. Paus Benedictus heeft het mogelijk gemaakt dat deze twee vormen van liturgie vreedzaam naast elkaar zouden bestaan met het oog op een wederzijdse verrijking en een toekomstige “hervorming van de hervorming”. Onder sterke druk van de tegenstanders van de oude liturgie heeft paus Franciscus de verruimingen van Benedictus ongedaan gemaakt en de oude liturgie grotendeels verboden zodat deze in veel diocesen voor de gelovigen praktisch onbereikbaar is of in de ondergrond wordt gedreven. Daarbij valt op dat met name veel jongeren en “nieuwe katholieken” door de oude liturgie worden aangetrokken en dat ze zich soms vooral ook door de vele misbruiken (te weinig op God gericht) van de nieuwe liturgie afwenden. Deze crisis moet worden opgelost. Bisschop Maria Eleganti roept in onderstaand artikel de paus en de kardinalen op de zaak grondig en in de wortel te bekijken. Daarbij kan men niet om de historische feiten heen. Die feiten zijn dat een beroep op het Concilie feitelijk onmogelijk is. Het is duidelijk dat de concilievaders de ontstane ontwikkeling niet hebben gewild. Bovendien is een dergelijke nieuwe “gefabriceerde” liturgie in de lange geschiedenis van de Kerk een novum. Het is de vraag of deze “vernieuwing” op de grond liturgisch-historische en sacramenten-theologische onderzoekingen houdbaar is. Met andere woorden: is de Mis van Paulus VI een organische ontwikkeling of een historische vergissing. Daarover zal het consistorie zich met alle relevante historische en theologische argumenten moeten onderhouden. Immers beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. In ieder geval lijkt het een zonde tegen de Heilige Geest als men levendige kerkelijke gemeenschappen met relatief de meeste priester- en kloosterroepingen rücksichtslos via Romeinse interventies de nek wil omdraaien. Leest u dus onderstaand beargumenteerd artikel van bisschop Eleganti. (CM)

“1969: Het nieuwe missaal (Romeins missaal) werd afgekondigd, wat tegenwoordig bekend staat als de Mis van Paulus VI (vaak “Novus Ordo Missae“ genoemd). Het voert veranderingen door die tijdens de bisschoppensynode in 1967 door een meerderheid van de bisschoppen werden verworpen.”
Het verlies aan heiligheid, het gebrek aan centrale rol voor God, de eenzijdige nadruk op het ‘maaltijdkarakter’ in de Mis sinds de invoering van de Novus Ordo: dit alles moet heroverwogen worden!
In een interview met Diane Montagna op 20 januari 2026 vestigt bisschop Athanasius Schneider de aandacht op enkele historische feiten over de liturgische hervorming na het Tweede Vaticaans Concilie, die de meeste bisschoppen en kardinalen negeren of waar ze zich niet langer van bewust zijn:
De liturgische constitutie Sacrosanctum Concilium werd aangenomen op 4 december 1963 en bevatte richtlijnen voor de hervorming van de Mis en andere liturgische riten. Het bevatte theologische en pastorale principes. De daadwerkelijke uitvoering werd toevertrouwd aan de Pauselijke Commissie (Consilium ad exsequendam Constitutionem de Sacra Liturgia). Op 27 januari 1965 werd onder leiding van het Consilium een herziene versie van de orde van de Mis gepubliceerd: Ordo Missae. Ritus servandus in celebratione missae … Editio typical 1965. Deze Ordo Missae verving wettelijk onderdelen van het Romeins missaal van 1962 en introduceerde de eerste wijzigingen.
In oktober 1967 werd een experimentele nieuwe mis (”Missa normativa”) opgedragen in Rome, zoals door de commissie was besloten. Het was een nieuw ontwerp dat de rite van 1962 niet langer slechts lichtjes aanpaste. Deze versie werd door Annibale Bugnini, de secretaris van de commissie, voorgelegd aan de eerste postconciliaire bisschoppensynode, maar stuitte op verdeelde meningen:
● Ongeveer 71 bisschoppen stemden voor (“placet”)
● 43 waren tegen (“non placet.”)
● 62 beschouwde het slechts als een basis voor discussie.
Met andere woorden, dit ontwerp werd niet als bindend aanvaard. Men kan stellen dat de meerderheid van de synodevaders het ontwerp “Normatieve Mis” verwierp in deze vorm en geen duidelijk mandaat gaf om deze versie aan te nemen of voort te zetten (verschillende groepen waren ertegen of wilden wijzigingen). Niettemin werd het proces niet stopgezet; het werk aan het nieuwe missaal ging door ondanks de verdeelde reacties. Gedurende meerdere jaren werden de teksten en de structuur herzien, met medewerking van paus Paulus VI zelf. Op 3 april 1969 werd het nieuwe missaal afgekondigd door de apostolische constitutie Missale Romanum en werd bindend ingevoerd op de eerste zondag van de Advent (30 november 1969). Dit missaal uit 1969 is de zogenaamde Mis van Paulus VI (in kerkelijk jargon, de “Novus Ordo Missae”). Het verschilt aanzienlijk van de editio typica van 1965, die al door de concilievaders werd ‘gevierd’ en onder hen geen tegenstand ondervond. De verandering in de richting van de viering [ad orientem vs. versus populum] en het volksaltaar waren niet door het Concilie voorzien.
Samenvattend:
● 1965: Een herziene versie van de Ordo Missae werd gepubliceerd – een overgangsversie van de oude Mis, gebaseerd op de eerste impulsen van het Concilie.
● 1967: Er was een experimenteel ontwerp (“Normatieve mis“), welk niet bevestigd werd.
● 1969: Het nieuwe missaal (Romeins missaal) werd afgekondigd, tegenwoordig bekend als de Mis van Paulus VI (vaak genoemd “Novus ordo missae”). Het voert veranderingen door die in 1967 door een meerderheid van de bisschoppensynode werden verworpen.
Zoals de toenmalige p. Josef Ratzinger midden jaren zeventig nuchter opmerkte, dat de Novus ordo missae van 1969 eerder breuken met de traditie bevat dan een organische ontwikkeling. Bisschop Athanasius Schneider citeert uit zijn brief (1976) aan prof. Wolfgang Waldstein:
Het probleem met het nieuwe missaal is echter dat het breekt met deze ononderbroken geschiedenis die zich altijd voor en na Pius V had voortgezet en een volledig nieuw boek creëert, waarvan de verschijning gepaard gaat met een soort verbod op het vorige dat volkomen vreemd is aan de kerkelijke rechts- en liturgische geschiedenis. Op basis van mijn kennis van de conciliedebatten en het herlezen van de toespraken van de concilievaders uit die tijd, kan ik met zekerheid zeggen dat dit niet de bedoeling was.
Daarentegen lezen we in SC 23: “Er mogen geen vernieuwingen worden ingevoerd, tenzij er een reëel en zeker voordeel voor de Kerk is. Er moet zorgvuldig op gelet worden dat de nieuwe vormen organisch voortkomen uit de bestaande.” (Sacrosanctum Concilium, 23.).
Het volgende consistorie van kardinalen, dat naar verwachting in juni 2026 bijeenkomt, zou deze historische details eerlijk en met de nodige kennis moeten behandelen en reflecteren op de liturgische hervorming. Het verlies van de heiligheid en de verticaliteit van de liturgie in veel kerken, het gebrek aan centraliteit van God en de dominantie van de gemeente, een zekere trivialisering van het heilige, van de liturgische ruimte en van de liturgische gewaden (of de afwezigheid daarvan, bijvoorbeeld tijdens de uitdeling van de Heilige Communie), de marginalisering van het tabernakel, de eenzijdige nadruk op het maaltijdkarakter en de gemeente als subject van de liturgie: dit alles moet heroverwogen worden! De auteur Martin Mosebach sprak welsprekend over een “ketterij van vormloosheid” in de Novus Ordo – en dat is in veel plaatsen ook het geval. Het gedrag dat overal te observeren is, weerspiegelt dit.
Elke bisschop heeft voldoende inzicht in deze kwestie binnen zijn eigen bisdom (vergelijk bijvoorbeeld thematische lappendekenliturgieën, waarbij de focus eerder op onszelf ligt dan op God). De weg naar genezing ligt in herkenning van de ziekte en een juiste diagnose.
Leo XIV zou er goed aan doen de kardinalen eerst op het vereiste niveau van historische kennis te brengen vóór het komende consistorie, waar de liturgische kwestie aan de orde zal komen, alvorens ze zaken bespreken waarvan ze de oorsprong te weinig in detail kennen. Deze details zijn echter zeer onthullend: het gaat onder meer om de rol van Bugnini en de protestantse invloed op de herziening van de liturgische kwestie, Novus Ordo, met het oog op oecumenische harmonisatie (vgl. het heiligdom in de parochie Heilig Geist, Zürich-Höngg, waar de zogenaamde tafel van het woord naast de zogenaamde broodtafel op het altaareiland staat, maar geen altaar meer is).
Bisschop Athanasius wijst er ook op dat het SC 4 de gelijkheid van de in de Katholieke Kerk ingestelde riten bepleitte: “Trouw aan de traditie verklaart het Heilige Concilie uiteindelijk dat de Heilige Moederkerk alle wettelijk erkende riten als gelijkwaardig en met gelijke eer erkent. Het is haar wil dat deze riten in de toekomst op alle mogelijke manieren worden bewaard en bevorderd.”
Laten we hopen op inzicht van de paus en de kardinalen. In Rome luisteren ze al jaren en passen ze de universele Kerk hierop aan. Maar wat ze precies horen, blijft onduidelijk. Bij prangende vragen is het nog steeds niet bekend welke kant het opgaat.”
Bisschop Marian Eleganti
30 januari 2026
Write a Reply or Comment