Het sterfhuis
We hebben gezien hoe actieve en missionaire congregaties na het Concilie verburgerlijkten en nu langzamerhand uitgestorven zijn en wat is ervoor in de plaats gekomen? Niets! Hoezo… een nieuwe lente? Toch houden veel “officials” in de Kerk de mythe levend en weigeren de echte oorzaken aan te passen. Onderstaand stuk van Caminante Wanderer is ontluisterende inllustratie die wij allemaal, ik in ieder geval wel, herkennen. CM
Door Caminante Wanderer*
Meer dan drie jaar geleden publiceerde ik een artikel met de titel “El moridero” (“Het sterhuis”), waarin ik de uiterst trieste situatie beschreef waarin het merendeel van de religieuze congregaties zich bevindt – met name de vrouwelijke –, die op een bepaald moment in de geschiedenis van de kerk ooit bloeiend waren geweest. Nadat ik verslag had gedaan van de Argentijnse provincie van de Congregatie van de Zusters van de Heilige Unie van de Heiligste Harten, lijkt het me gepast om deze tekst opnieuw te publiceren:
El moridero
Zuster Clara komt uit een familie van Europese immigranten die ongeveer een eeuw geleden naar Argentinië kwam en binnen enkele jaren door ijver en hard werken een bescheiden fortuin vergaarde, waardoor ze enkele landgoederen kon kopen en zich aan de landbouw kon wijden. De kinderen werden naar kerkelijke kostscholen gestuurd en in deze omgeving ontwaakte Clara’s roeping. Op vijftienjarige leeftijd verliet ze het ouderlijk huis, stapte op de trein en reisde – door de eindeloze, stoffige pampa’s – naar Buenos Aires, waar ze haar opleiding zou beginnen. Het was het jaar 1943 en twintig jaar lang zou ze haar geboortegrond niet meer terugzien.
Om Christus te volgen, koos ze voor dezelfde congregatie van schoolzusters, die veelzijdig inzetbaar waren voor alle diensten die het college had geleid waar haar ouders haar naartoe hadden gestuurd. Het was een van de honderden vrouwelijke en mannelijke religieuze gemeenschappen die in de 19e eeuw waren ontstaan, gesticht door religieuzen, bisschoppen, pastoors of eenvoudige vrome vrouwen, en die de belangrijkste dragers waren van de grote missionaire opleving van de 19e eeuw tot ver in de 20e eeuw. Een aanzienlijk deel van de wereld heeft zijn geloof aan hen te danken.
Na het voltooien van haar opleiding werd zuster Clara uitgezonden naar verschillende vestigingen die haar congregatie in Argentinië bezat – en dat waren er heel wat. Begin jaren zestig bevond ze zich in een klein bisdom waarvan de bisschop niet alleen een van de meest vooraanstaande vertegenwoordigers van het kerkelijk progressisme was, maar ook van het derdewereldidealisme. Zo raakte zuster Clara – net als de overgrote meerderheid van de katholieke religieuzen in die tijd – enthousiast over de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie en omarmde ze met enthousiasme de postulaten van de nieuwe, open kerk die in opkomst was. Ze bleef trouw, legde nooit haar habijt af en liet noch het getijdengebed, noch de rozenkrans achterwege, maar haar manier van denken veranderde – net zoals alles om haar heen veranderde.
Vanwege haar ondernemingsgeest en leiderschapskwaliteiten kreeg ze begin jaren tachtig de opdracht om een nieuwe vestiging op te richten in een afgelegen dorp in Patagonië, waar de wind nooit tot rust komt. En dus ging ze daarheen, met twee medezusters, alleen en bijna onbeschermd. Ze kregen een klein huis toegewezen dat nauwelijks voldeed aan de minimale eisen om als ‘klooster’ te worden beschouwd – verder niets. Het ging erom de toen modieuze ervaring op te doen: zich aan te passen aan het volk en bewust afstand te doen van de vermeende privileges van het kloosterleven. Zuster Clara moest als lerares op een openbare school werken, een andere zuster als verpleegster in het ziekenhuis, om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo zag hun dagelijks leven eruit: ’s ochtends lesgeven op school, ’s middags allerlei pastorale activiteiten. En op vrije dagen reizen naar de diepten van de Patagonische woestijn, op zoek naar zielen.
Bijna tien jaar waren verstreken. Het bestuur van de congregatie begon te beseffen dat de roepingen, die ooit zo talrijk waren, nu uitbleven. De ijzige wind van Vaticanum II had ook hen bereikt. Verontrust besloten ze te doen wat andere congregaties ook deden: vestigingen in perifere landen om nieuwe roepingen te werven – jonge vrouwen die, zo niet uit liefde voor de evangelische raden, dan toch in de hoop op een beter leven, de verlaten noviciaatshuizen zouden betreden. Zo werd zuster Clara naar Bolivia gestuurd. Daar stichtte ze vier vestigingen en een noviciaat en bracht ze vijf jaar door midden in de Amazone-jungle.
En ze volbracht haar opdracht: verschillende jonge Boliviaanse vrouwen, meestal uit eenvoudige sociale milieus, traden toe tot de congregatie; ze volgden een opleiding tot lerares, psychologe of maatschappelijk werkster aan Argentijnse universiteiten – en als ze hun diploma’s in handen hadden, kwamen ze tot de conclusie dat ze geen roeping hadden. Ze verlieten de congregatie en een jaar later waren ze getrouwd.
Zuster Clara werd ouder. Ze werd teruggeroepen naar Argentinië en toegewezen aan verschillende huizen, met name die waar problemen waren, omdat haar vermogen om conflicten te beslechten bekend was. Zo gingen de jaren voorbij, terwijl haar congregatie steeds troostelozer werd.
Vandaag de dag is zuster Clara erg oud. Ze woont in een klein, lelijk en vochtig stadje in het binnenland van Argentinië, waar haar orde nog een college heeft. Haar gemeenschap bestaat uit vier religieuzen. De overste is 74 jaar oud, vroom en liefdadig; zuster Ana is 86 en loopt duidelijk naar links gebogen; zuster Atilia is 87 en haar lichaam is in een rechte hoek gebogen; en zuster Clara, 95 jaar oud, heeft nog steeds een rechte houding en een heldere geest. De door de regel voorgeschreven dagindeling is verdwenen. Alleen de gezamenlijke lunch en de vespers zijn nog verplicht. Er is geen mis in het klooster, omdat de twee plaatselijke priesters het te druk hebben met hun taken; men neemt daarom genoegen met het ‘bijwonen’ van een willekeurige mis op YouTube. De rest van de tijd brengen ze door in hun cellen, slapend, of in de spreekkamer, die tegelijkertijd gemeenschappelijke ruimte, refter en, wanneer er een mis wordt gevierd, ook kapel is – een donkere ruimte, alleen verlicht door verouderde tl-buizen. Daar brengen ze de tijd door met hun mobiele telefoons, met televisieprogramma’s, met verhalen over hun ziekten of met de altijd betrouwbaar binnenkomende roddels.
De congregatie had het college waar ze nu wonen in de eerste helft van de vorige eeuw opgericht en decennialang zelf geleid; later waren de zusters alleen nog maar “pastorale animatoren”; tegenwoordig zijn ze niet veel meer dan huurders van een paar kamers, schimmen die langzaam door de koude gangen lopen en alleen nog worden begroet door de meest welwillende ‘geëngageerde leken’ die inmiddels de verantwoordelijkheid voor de instelling dragen.
Zuster Clara is opgenomen in een van de vele verpleeghuizen van haar congregatie. Ze is stervende. Af en toe kijkt ze terug. Alle zes vestigingen die ze in de loop van haar leven heeft opgericht, zijn gesloten. Van de groep Boliviaanse religieuzen is er geen enkele overgebleven. Van de talrijke huizen die haar congregatie ooit in Argentinië bezat, zijn er nog maar vier over; en tegen het einde van dit jaar zal ook een daarvan worden gesloten.
Het leven van zuster Clara is zonder twijfel een leven dat aan God is gewijd. Op jonge leeftijd werd ze verliefd op een ideaal; ze werd verliefd op de Heer en volgde hem door vele jaren en vele wisselvalligheden heen. Ze hield vol. Ze nadert nu het doel en heeft het geloof behouden.
Met zuster Clara sterft ook haar congregatie, die geen mogelijkheid meer heeft om zich te vernieuwen. En elke dag sterven er meer congregaties, zowel mannelijke als vrouwelijke, die eeuwenlang tot de kostbaarste juwelen van de katholieke kerk behoorden.
In deze dagen wordt zestig jaar sinds het begin van het Tweede Vaticaans Concilie ‘gevierd’ – gevierd natuurlijk door die bisschoppen en priesters die de meeste jaren en de grootste oogkleppen hebben ontwikkeld.
“Het Tweede Vaticaans Concilie is volgens de maatstaven van zijn eigen voorstanders mislukt. Het moest de kerk dynamischer maken, aantrekkelijker voor de moderne mens, meer missionair, minder gesloten, minder verouderd en minder egocentrisch. Niets daarvan is gebeurd. Na het Tweede Vaticaans Concilie is de kerk in de hele ontwikkelde wereld gekrompen – zowel onder conservatieve als onder liberale pausen –, maar de achteruitgang verliep het snelst waar de invloed van het concilie het sterkst was.” Deze woorden schreef Ross Douthat vorige week in een column in de New York Times. Zuster Clara hoeft deze krant niet te lezen om dat te weten.
Write a Reply or Comment